Benoît van Innis

Jan Breydelstadion

Brugge

Toen ik hier - enkele weken geleden, begin juni - voor het eerst kwam kijken naar wat Benoît - de minzame Bruggeling Benoît van Innis - gemaakt had, wat hij er (letterlijk) van gebakken had, kreeg ik niet direct een goed zicht op lijnen en figuren, en het raadselachtige samenspel ervan. Want er stond ook nog een stelling voor het tableau en bovenaan ontwaarde ik ook nog een klein levendig en werkzaam figuurtje, dat mijn aandacht afleidde. Dat mannetje bleek Benoît zelf te zijn, die de laatste hand legde aan zijn 'masterpiece'. Naast hem nog iemand, de technische man waarschijnlijk. Even later kwamen ze met katrol en al naar beneden. Maar eer het zover was, had ik toch al het eerste commentaar gehoord van twee ouwere, wat gezapige mannen op de fiets, zoals je die wel vaker aantreft bij trainingen van hun geliefde voetbalploeg. Laten we aannemen dat het supporters waren - wat kwamen ze hier anders zoeken - één van Club en één van Cercle, of zie je die twee nooit samen? Eerst zwegen ze, zeiden ze niets. Maar na enig gepeins, volgde wat geknor, gesmoord in een lachje, en terwijl de ene zich al met een voet afduwde om verder te rijden, vertrouwde de ander hem enigszins besmuikt oe: 'Dat is kunst, hé jong!' En weg waren zij.

Kunst dus. Als ik het niet geweten had, dan wist ik het nu wel. En als u mij niet gelooft, en onze twee supporters ook niet, dan moet u zelf maar kijken, goed kijken, eventueel blijven kijken. Of anders nog maar eens terugkomen.

Je kunt er ook niet naast kijken. Van als je aankomt, bij de grote ingang, de hoek die direct in beeld komt, gefocust als het ware: Playtime. Iets dat je oog aantrekt, lijk het scorebord binnen. Eigenlijk staat het meteen 1 - 0 voor Benoît. Direct scoren dat is altijd mooi. Met een voorsprong beginnen, heet dat. Het tweede dat opvalt is ha-ha, kleur. Een beetje kleur maar, niet te veel, niet te vettig; zoals een beetje bloot ook werkt - beter dan helemaal bloot. Geen overdaad, een beetje blauw, beetje groen, beetje rood en geel niet vergeten, door zwarte lijnen met elkaar verbonden en erdoor gescheiden. Een toefje van dit, een toefje van dat. Dat is het, die fijnzinnige kleurhantering, ik vind dat geestig, niet me de grove borstel er tegenaa, tegen al dat Brugse Beton van het (Jan) Breydelstadion. Maar gewoon met de lichte toets van het penseel een ietsie-pietsie levenskleur aanbrengen. Dat heft de zwaartekracht van zo'n stadion wat op. Zo'n stadion is geen kerker, zelfs geen bastion. Dan moet de verf er ook niet te dik op liggen. Je moet licht van hoofd dat stadion binnen kunnen wandelen. Zwaarmoedigen moeten thuis bljven, of verzorgd worden. Aardig is ook het Portugese tintje van de tegels. Daar gebakken, weliswaar industrieel, want weerbestendig, maar toch ook met iets van 'la luz', het licht - dat biezondere licht van daar - erin weerkaatst. Ik weet dat Benoît verzot is op het schilderen op dat soort tegels. Het is als een zielsafdruk van hem wat we hier zien.

Komen we toch nog wat dichter bij de kern van wat ik, met schroom, dit kunstwerk wil noemen. 'Kunst' is zo'n beladen woord namelijk, tenzij het wordt uitgesproken door twee supporters op de fiets. En zelfs die draaiden hun tong even rond in de mond, toen dat woord hen ontsnapte. Wat kunst ook mag wezen, ik ga er geen vertoog over houden. Voetbal zelf is maar zelden een kunst, wat sportliefheebers er ook mogen van denken. Door de kunstenliefhebbers wordt voetbal veelal uitgespuwd als zijnde vulgair en ordinair. Iets voor het gewone volk, gemeenzaam het klootjesvolk genoemd en meer recent ook als iets, een speciaal soort hobby voor patjepee?rs, nouveau riches en de hele waaier van geldverdieners op grote schaal, in de loges of op de business-seats. En als er succes te behalen valt, komt waarachter haast iedereen er op af. Maar goed, dat zegt niet alles over het spel zelf, dat in al zijn beweeglijkheid wel degelijk iets van vervoer kan hebben, in het beste geval zelfs iets kunstzinnigs. Maar op zich is dat toch nog geen kunst, lijkt mij. Maar dat is ook niet nodig, zo lang voetbal 'sport' blijft is het OK. Sport zijnde de kunst van het winnen ten koste van de verliezer. Dat is de essentie voor mij van alle sport, ook van de sport nummer 1, voetbal. Men spreekt wel eens van een kunst-stukje als deze of gene speler wat speciaals doet met de bal, al of niet in combinatie met één of meer medespelers. Zo is Zidane een balkunstenaar nog meer dan Figo of Beckham. Er zijn er nog, Rivaldo en andere Brazilianen, maar zoek ik tevergeeefs naar een Belgische naam. Ik zou Degryse kunnen noemen. Maar dat is verleden tijd, nietwaar. Als we het over kunst - ware kunst - hebben zullen weinigen met voetbal komen aandraven. En in het stadion, op de tribunes of op de staanplaatsen als die er nog zijn, zullen maar zeer weinigen aan zoiets als kunst denken, als ze zitten te kijken of staan te roepen. Schoppen schieten trappen, hollen, lopen, tieren, schelden, één enkele keer scoren, een paar keer per wedstrijd, kom, dat is wat al die mensen horen, zien en meebeleven. In de beschouwingen achteraf valt al wat meer inzicht en diepte - dieptezicht dus - te bespeuren in woord en beeld. Fraai zo, want dat helpt om de hele beleving van voetbal boven het anekdotische uit te tillen, het geeft er zin en betekenis aan. Gaan we nog een stap verder, door de verbeelding er bij te halen, door uiting te geven aan onze verwondering - en dat is iets anders dan louter bewondering - dan komt er stilaan kunst in het spel. Laten we zeggen, en aannemen dat sport, dat voetbal kunst wordt door de uitbeelding, en liever nog, de verbeelding. Afgesproken?

Laten we dan samen nog eens goed kijken, beste toeschouwers. Zodat we kunnen doordringen in de verbeelding, plus de uitbeelding van ons aller Benoît hier. Voor degenen die het niet weten, Bruggeling, Gentenaar-Brusselaar Benoît is, benevens tekenaar en kunstenaar ook en evenzeer voetballiefhebber en supporter, een onvoorwaardelijke - mag ik het zeggen - supporter van Club Brugge. Hij is voor Club, dé Club. Je kunt daar niets aan doen, dat is zo. Het is - en dat tekent hem - een echte. Een die lijdt en liefheeft, in goede en in kwade dagen. Een die nu nog altijd Lotte vereert, zij het dat hij ook zijn opponent van Cercle, Jules Veriest, ten zeerste respecteert. Maar wat je hier van hem ziet, is niet de triomf van Club, boven Cercle - hij zou nog eerder en veel liever de winst van zijn Club over Anderlecht uittekenen - nee, ik geloof dat de supporter zich hier verstopt heeft achter de liefhebber die zijn eigen spel speelt, met de stift van zijn verbeelding. Hij die opgaat in het spel, die voetbal kent, het zelf ook speelt, met de stift van zijn verbeelding. Hij die opgaat in het spel, die voetbal kent, het zelf ook speelt, er verslingerd aan is, tot zich kan laten doordringen en het op zijn manier dna ook nog weergeeft. Zijn manier, dat is zoals in al zijn tekenwerk - een fijne manier. Met weinig middelen, het lijkt schetsmatig soms, in enkele lijnen, in een onwezenlijke setting en dan toch, op raadselachtige wijze, het wezen treffen, de kern waar het om gaat.

En waar gaat het in ons voetbal ook weer om? Om winnen en verliezen. Punt uit. Gelijk spelen is eigenlijk niks, een magere troost, een ersatz-prijs. Waar Belgen goed in zijn, in gelijk spelen zonder glans. Weg met het gelijke spel, dat is het gelijk van de kruidenier. Doe mij maar een gelijk spelletje. Neen, dus. Zeker, de grens tussen winnen en verliezen is soms heel dun, dan balanceer je zelfs op de rand van het gelijk spel. Het kan ook een grillige lijn zijn die winst scheidt van verlies. Hoe vreemd soms en wisselend is niet het scoreverloop, alvorens de eindstand vaststaat.

Kijk eens, staan we hier niet voor zo'n beeld van winnen en verliezen? Vol de zwarte lijnen maar. Aan de ene kant, links voor u, zijn dat nie de dragers van het verlies? De geslagenen. Keepersverdriet, daar van onderen, dat was mijn eerste indruk. Opgerold, voorovergebogen, weerloos opgesloten in zichzelf, een gevallen speler misschien, kreunend van pijn, alleen met zijn verdriet, onbereikbaar als het ware voor anderen. En hogerop, die rijzige figuur, maar kopje omlaag, geen opgeheven hoofd, een nobele krijger, maar teleurgesteld, klaar om op zijn stappen terug te keren. Schot ernaast, bal niet aangekomen, ploegmaat niet bereikt, of gewoon onbegrepen gebleven. De begenadigde verliezer. Pierre Carteus, daar dacht ik aan, gracieus maar ook een beetje sloom. Als in een droom. Vrede hebben met verlies, ook al had je kunnen winnen. Het zij zo, het was (weer) niet voor vandaag. Ik hou van verliezers die wel de capaciteiten hebben om te winnen, maar niet altijd de hardnekkige wil daartoe. Zij die kunnen verliezen, een hele kunst. Niet tegen zijn verlies kunnen, zo vaak bejubeld in de sport, is dat, menselijk gesproken, wel zo'n waardevolle eigenschap of het karaktertrek? Willen winnen maar leren verliezen, zeg ik altijd, is de harde les van de sport. Er zijn er die van nature met verlies kunnen omgaan. Zo'n figuur, lijkt mij, eeft Benoît hier ten tonele gevoerd. De nobele verliezer. Hoed af.

Maar zie hoe de neergaande lijn van de ene overgaat, de hoogte in, opgaande in het zegegebaar van de figuur aan de rchterkant. Die kant uit, steeds hoger, excelsior, daar wenkt de overwinning. De winnaar verheft zich boven de verliezer, al komt hij er niet helemaal los van. De scheidingslijn, zo dun als ze is, verbindt die twee deelnemers aan hetzelfde spel. Maar één zegeviert, hij grijpt naar het hoogste, en het zal de burgermeester niet ontgaan zijn, daar hoog in de lucht, helemaal van boven, het geel. Ik weet niet of het al gewonnen spel is, maar het ziet er naar uit dat 'geel' aan de winnende hand is.

Winnen is zweven, het lijkt dansen. Voetbal wordt ballet. Mooi. Voor mij is 't mooiste dat winnen en verliezen onlosmakelijk van elkaar zijn. En niet anekdotisch gescheiden, zo van daar liggen de verliezers op een hoopgje, en later gaan ze allemaal naar de hel. En zie, aan de overzijde staan de winnaars te triomferen, hen wacht staks de hemel. Zo gaat het niet, niet in de sport en niet in het leven. En zeker niet in de kunst. Het leven, één kluwen. De winnaars van vandaag zijn de verliezers van morgen. En omgekeerd, al bestaat er geen regelmaat in. Maar zeker is, waar winnaars zijn, zijn ook verliezers. Soms beslist het lot, een bal op de paal, een penalty net over de lat. Een streep van een schot, één streep, één lijn, niet altijd de rechte lijn. Dat is te simpel, die korte éénduidige lijn van A naar B. Dat kan de oplossing zijn, de rechte weg naar het doel. Maar meestal gaat het via een omweg. Volgens altijd wisselende patronen.

Zo is voetbal ook. Onvoorspelbaar, je bent er nooit klaar mee. Maar je moet er niet mee bezig zijn, je moet niks met voetbal, met sport in 't algemeen. Wat is er van sport? Niks, totdat je ermee bezig bent, erin opgaat, zo dat je er nog moeilijk van af komt. Maar ook als je het alleen maar zijdelngs volgt, of van op afstand, dan raak je toch vertrouwd met wat elke mens kent, herkent, dat is wat winnen en verliezen is of kan betekenen. In het spel en in het echt.

We hebben geen keuze, 'at the end we are all losers'. De ultieme nederlaag, de dood, is door nemand van ons te ontwijken. Tot het zover is, kunnen we ons blijven vermeien in en ergeren aan en verwonderen over dat magnifieke, verleidelijke maar soms ook afstotende spel van winnen en verliezen. Ik benijd Benoît - in zekere zin - dat hij daar zo speels en tegelijk zo sober en sereen kan mee omgaan. En zo met vaste hand die beweeglijke lijnen uitzetten. Ik weet niet of hij zijn rechter- of zijn linkerhand gebruikt. Maakt niet uit. Hij heeft zo twee kleine, vaste handjes die precies doen wat hij wil. Laat hem doen. Hij laat genoeg over aan ons, aan ons brein, onze fantasie, ons gevoel, om in te vullen wat hij openlaat binnen zijn lijnen, die lijnen zijn van verwondering.

De verbazing van Benoît, dat is wat mij het meest boeit in hem. Te mogen delen in die verbazing, is dat niet genoeg? Kies zelf maar de winnaar en verliezers, naar eigen voorkeur of afkeer. Nu het nog kan.

Ik ben blij dat Brugge 2002 - ik zal het maar algemeen houden - hem, Benoît, de kans heeft gegeven om zijn open spel te tonen, aan ons, en aan al degenen die door deze poorten nog naar binnen zullen komen. Ook het gewone volk, het voetbalvolk, zullen we maar zeggen. Ieder mag er 'het zijne' van denken, als het maar aan de muren en in onze geheugens blijft hangen.
A propos, heren van Brugge, zou er in de toekomst niet nog wat van dit extra tegelwand bij kunnen, meer frontaal, enkele langegerekte slingers, om wat meer lichtheid aan het bestaan van zo'n tableau als hier, kwestie van de nieuwsgierigheid van zoveel vreemde bezoekers helemaal te bevredigen. Zo van, zit daar aan de andere kant ook nog iets?

Een idee? Zo'n heel fronton, inet vol, maar verspreid, het kunstzinnige voetbalfront van Benoît, van heel Brugge.
En Europa komt dat zien.
Ik dank u.

Author: Jan Wauters
URL: http://www.benoit-artist.com/reviews/Jan-Wauters

« Previous | Next »