Benoît van Innis

"Liever drie mensen die mijn werk goed vinden, dan massaal succes"

uit Humo

In Brugge, Culturele Hoofdstad van de Ons Bekende Wereld anno 2002, leggen twee voegers de laatste hand aan een kunstwerk van Benoît van Innis. Het bevindt zich aan de buitenkant van het Jan Breydel Stadion en bestaat uit weerbestendige tegels uit Portugal, waarop de kunstenaar met een minimum aan lijnen zeer elegante, haast aan de zwaartekracht ontheven voetballers heeft aangebracht, of beter: het idee voetbal. Doordeweeks zie ik nagenoeg elke dag in het Brusselse metrostation Maalbeek een ander kunstwerk van hem, ook op bleke tegels uit Portugal uitgevoerd: anonieme gezichten, net zo naamloos als de gezichten van de metrogebruikers, waarin je duidelijk de hand van Benoît herkent. Iedereen is wel ergens niemand, zeker in de metro.

Vroeger werd hij tot de cartoonisten gerekend, ook al deed hij nog zo zijn best om dat niet te zijn: gedistingeerde heren, een tikkeltje stijfjes maar ook tot dansen in staat, altijd onberispelijk in het pak, bevonden zich in stijlvolle kamers met hemelhoge plafonds. Daar deden ze bijna niets of hooguit iets bevreemdends aan de rand van de volstrekte lulligheid. In zijn jongste boek 'Bravo! Bravo' hebben die heren, en de occasionele dames die er bijhoren, plaats gemaakt voor een ander soort grafiek, dat stil is en nog verder uitgepuurd. Maar laat ik die prietpraat maar aan de kunstpagina's overlaten - ik heb wel wat anders aan mijn hoofd - en iets doen waar Van Gogh misschien wel blijk om was geweest: het oor lenen aan de maître.

Benoît van Innis: "Twee jaar geleden vroeg Hugo De Greef, de intendant van Brugge Culturele Hoofdstad van Europa, me om een werk te maken voor de stad Brugge dat ook na 2003 zou blijven bestaan. Hugo wou dat ik maar iets moest maken in het Jan Breydel Stadion. Zelf was ik daar nooit opgekomen, omdat ik dat stadion niet met de stad Brugge associeer, maar louter met Club.

Enfin, 't was een mooie opdracht: mijn kunst en mijn liefde voor het voetbal vielen er mooi in samen, en dan nog wel op de juiste locatie. Mijn voorstudies waren in plastisch opzicht heel goed, maar ze stonden te ver van het voetbal zelf af. Ander studies gaven dan weer het voetbal heel goed weer, maar ze begonnen me te vervelen, omdat ze te anekdotisch waren. Ik heb anderhalf jaar naar een evenwicht moeten zoeken. In opdracht werken vind ik overigens heel aantrekkelijk voor een kunstenaar, maar dat zijn kunstenaars over het algemeen een beetje vergeten, denk ik. Kunst om de kunst, alles goed en wel, maar het belet me niet om kunst-in-de-samenleving ook zeer zinvol te vinden."

Een groot voetballer

Humo: Hoever reikt je liefde voor voetbal?


Benoît:: "Het blijft een erg emotionele, zelfs passionele aangelegenheid. Nog steeds. Al moet ik, net als vele voetballiefhebbers, met pijn in het hart vaststellen dat het voetbal één en al commercie is geworden. Club Brugge blijft mij ondanks alles dierbaar, ook al omdat het team en de sfeer die errond hangt deel uitmaken van mijn jeugdherinneringen. In '68 ben ik voor het eerst naar een wedstrijd gaan kijken. Ik was toen acht, Brugge - Anderlecht: 2 - 2. één van mijn oudere broers had me meegenomen: ik kon niets van de wedstrijd zien - nu ja, af en toe tilde mijn broer me even op - maar toch is de sfeer van die wedstrijd mij altijd bijgebleven. Er staan mij zelfs nog scherpe beelden voor de geest: Pierre Carteus en Paul Van Himst die elkaar voor de aftrap een ruiker bloemen gaven.
Er was toen nog sfeer op De Klokke, en je had in die tijd nog spelers die tien, vijftien jaar bij Club Brugge bleven: een hele carrière dus. Die mentaliteit bestaat niet meer. Jan Ceulemans en Franky Van der Elst zijn de laatsten die die bijna ouderwetse loyaliteit nog hebben kunnen opbrengen. Ik ben blij dat ik nog net de heel mooie jaren van Club Brugge heb meegemaakt: de jaren zeventig, toen Ernst Happel trainer was. Er was toen ook wel al professionalisme, maar een Europese topploeg mocht maximaal drie buitenlanders opstellen. Een Italiaanse ploeg mag tegenwoordig met elf buitenlanders spelen: er zijn geen grenzen meer.
Als jongetje wou ik vooral een groot voetballer worden: scoren op Wembley, en een vedette zijn à la Cruijff en Raoul Lambert. Als ik moest binnenzitten, tekende ik. In je kindertijd droom je er niet van een groot kunstenaar te worden: je weet niet eens wat dat is. Maar ik heb altijd wel veel belangstelling voor kunst gehad: op jonge leeftijd ging ik al graag naar het Groeninghe Museum, zonder precies te beseffen waarom. Ik maakte toen geen verschil tussen het werk van een reclametekenaar en een Van Eyck. 't Was allemaal tekenen en schilderen voor mij, en daar had ik genoeg aan."

Humo: Je liefde voor het voetbal heb je wel niet van huis uit meegekregen, hè?

Benoît: "Neen. Mijn vader stamt uit een adelijke familie, 't is te zeggen: uit een verarmde tak ervan. Hij is jonkheer, en mijn broers en ik zijn dat ook: de titel is erfelijk. Mijn vader was een beetje wereldvreemd, en het voetbal was indertijd veel meer dan nu een volkssport. Nu is het voetbal zelfs chic geworden: loges, business seats, allerlei hoge piefen spreken tegenwoordig af op het voetbal. Maar goed, van mijn vader mocht ik mij niet bij Club of Cercle laten inschrijven. Voetballen moest ik maar in onze tuin, vond hij, want in een club spelen, was volgens hem niet deftig."

Humo: Je zult hem wel hebben gevraagd: 'Waarom niet?'

Benoit: "Hij zei me dat die clubsport niet tot onze stand behoorde, maar als kind wist ik niet eens wat 'onze stand' voorstelde. Toen ik elf was, heb ik op uitnodiging van een vriendje dat bij Cercle speelde toch aan een toernooitje deelgenomen. De miniemen van Cercle kregen de opdracht vriendjes mee te brengen die nog niet bij Cercle waren ingeschreven: op die manier probeerden ze daar nieuwe spelertjes te engageren. Ik viel op in dat toernooitje, en na de wedstrijd vroegen de bestuurders van Cercle mij of ik bij de ploeg zou willen komen. Ik vond het een hele eer, maar mijn vader was onverbiddelijk. 'Ik mag niet van mijn ouders,' moest ik gaan zeggen."

Humo: Je zei dat je als kind geen benul had van 'stand'. Is dat je later duidelijker geworden?

Benoît: "Sommige adellijke families houden hun stand artificieel op, als ze daar tenminste nog de middelen voor hebben. Achteraf bekeken ben ik blij dat mijn ouders daar de middelen niet voor hadden: een gezin met acht kinderen - we waren niet arm, maar ook niet rijk. Ik werd niet naar een chic internaat gestuurd, maar naar een gewone school: het Onze-Lieve-Vrouwcollege in Brugge. Daar kwam ik met jongens uit allerlei maatschappelijke lagen in contact, en ik had veel vriendjes. 'Mijn stand' speelde dus geen rol in het leven van alledag, meer nog: ik vond het iets onlogisch, iets waar ik in mijn vriendenkring niets mee kon beginnen. Mijn ouders wilden misschien wel dat ik een soort standbesef had, maar als je een jaar of zestien bent, begin je je daar toch tegen te verzetten: mei '68 was langs geweest, en de maatschappij was voor iedereen zichtbaar veranderd. Mijn oudere broers en zussen hebben zich eigenlijk veel meer moeten verzetten dan ik."

Vrijen in het park

Humo: Ben je in je afkomst geïnteresseerd?


Benoît: "Ik sta daar niet bij stil. Mijn ouders zijn 82 en 80 - ze zijn op een mooie manier oud geworden - en zij interesseren mij als mens. Hun adellijke afkomst doet er voor mij niet toe. Maar een aristocratische levenshouding vind ik nog altijd mooi. Ze is het tegenovergestelde van snobisme."

Humo: Je grootvader van vaderskant was nog een kasteelbouwer, weet ik.

Benoît: "Toen ik Josse De Pauw ontmoette, deed de naam van Innis een belletje bij hem rinkelen. Ineens schoot het hem te binnen: zijn ouders hadden in Asse nog gevreeën in het park dat bij het kasteel van mijn grootvader hoorde. Hij herinnerde zich ook dat de mensen het indertijd over het 'Kasteel-van-van-Innis' hadden - -'t was er in het plaatselijke omgang één term. Mijn grootvader vond dat je het werk van andere mensen niet mocht afpakken. Hij pakte dus het werk van niemand af, wat erop neerkwam dat hij en mijn grootmoeder uitermate sober leefden: ze aten wat hun pachtboeren - die waren er toen ook nog - teelden en kweekten. Zeer veel etiquette, zeer veel principes en traditionele gewoontes, maar voor de rest was de hele huishouding op soberheid gebaseerd. Zij waren antiluxe, want luxe vonden ze vulgair. Om dezelfde reden waren ze antibourgeois, want de bourgeois vonden ze per definitie een arrivist. Zij maakten een strikt onderscheid tussen aristocratie en bourgeoisie, en ze waakten daar ook over.
Vroeger kreeg ik vaak te horen dat de personage in mijn werk bourgeois waren, maar volgens mij zijn het meer aristocraten, want ze houden zich bezig met dingen die bourgeois nooit zouden doen: ze liggen lang uit op de grond, kijken langdurig door het raam naar het vallen van de bladeren, bladeren in een boek, ze lopen op straat en blijven lang stilstaan bij een onooglijke steen of een minuscuul plantje. Daar hebben ze allemaal veel meer aandacht voor dan zogenaamd praktische of nuttige handelingen die geld opleveren.
Mijn grootvader vond veel 'niet nodig': zijn kinderen mochten studeren als ze dat zonodig wilden, maar niet met de bedoeling op grond van die studie carrière te maken. Mijn vader was zijn jongste zoon, en die heeft wellicht net op tijd ingezien dat de principes van zijn vader niet langer vol te houden waren. Hij heeft rechten gestudeerd en is juridisch adviseur geworden bij een bedrijf dat nu Tractebel heet, en waar mijn broer Emmanuel financieel manager is. Mijn vader heeft zijn werk plichtsbewust gedaan, hij loste graag juridische problemen op, maar ik geloof niet dat hij graag in de zakenwereld zat. Mijn grootvader wou uit principe niets met handel te maken hebben. Die kasteelgrond in Asse is ondertussen onbetaalbaar duur geworden, één van de duurste gronden in België, maar mij grootouders hebben alles voor een appel en een ei aan de eerste de beste makelaar verkocht, want 'zakendoen was niet correct'."

Humo: Deden ze dat nu uit principe of uit volslagen wereldvreemdheid?

Benoît: "Uit een mengeling van de twee, denk ik. Hun prachtige antiquarische bibliotheek hebben ze aan de universiteit van Leuven weggeschonken. Die bibliotheek boek per boek verkopen vonden ze not done"

De middernachtmis

Humo: Je bent nu even in de veertig. Wat werkt er nog na van de opvoeding, die je, ondanks je occasionele verzet ertegen, toch gekregen hebt?


Benoît: "Wel, op een bepaald moment, misschien wel toen ik zelf kinderen kreeg, ben ik de opvoeding die ik heb gekregen beginnen te aanvaarden. Mijn moeder was zeer begaan met haar acht kinderen, en hoewel we met bepaalde principes zijn opgevoed, hadden we toch relatief veel vrijheid. mijn zeer katholieke opvoeding vind ik misschien een minder leuk aspect, al kan ik daar achteraf - zoals altijd achteraf - ook wel de mooie kanten van inzien. Tijdens de Goede Week moesten we een keer of zesendertig naar de mis, maar dat ceremoniële deed me wel wat.
Ik zou het niet meer willen overdoen, maar ik heb er wel goede herinneringen aan. Pasen werd bij ons echt als een hoogtepunt beleefd; het werd een heel groot feest. Om te beginnen hadden we daarvoor gedurende veertig dagen gevast: geen snoep, geen friet... En ineens mócht alles weer. Die bevrijding was héérlijk. Kerstmis was bij ons ook een hele ceremonie; mijn vader nam een dag vakantie, alleen maar om de kerstboom op te tuigen. Hij werkte daaraan zoals ik nu aan een schilderij werk; hij hing een kerstbal in de boom, en ging daarna op een afstand staan om te zien of die bal wel goed hing."

Humo: Ik meen me te herinneren dat je weleens een man die een kerstboom versiert, hebt getekend.

Benît: "Inderdaad. Als kind was de kerststal in mijn ogen reusachtig. Mijn moeder trok er een hele dag voor uit. 't Was een heel decor: met boeken en inpakpapier maakte ze hele rotspartijen - dat papier werd ieder jaar opnieuw gebruikt, waardoor het steeds meer op de structuur van rotssteen begon te lijken. En dan de middernachtmis: eerst moesten we gaan slapen, om negen uur, heel irreëel. Omdat we wisten dat er iets te gebeuren stond, werden we om elf uur al wakker, eigenlijk hadden we niet echt geslapen. Daarna met z'n allen naar de middernachtmis, en daarna, rond twee uur 's ochtends, volgde er een ontbijt met lekkernijen die we gewoonlijk nooit aten: patés, speciale hamsoorten..."

Humo: Volgens mij hebben je ouders je vooral een gevoel voor traditie bijgebracht. Denk je dat je je eigen drie dochters ook in die zin opvoedt?

Benoît: "Ik zit in het kunstenaarsmilieu, en van jongs af zijn mijn kinderen met allerlei vormen van kunst geconfronteerd. Een abstract schilderij vinden zij de normaalste zaak van de wereld, terwijl mijn vader er destijds van zou zijn weggelopen. De traditie die ik doorgeef, is niet de traditie die mijn ouders mij hebben meegegeven."

Humo: De datum 10 december 1976 betekent nog steeds iets voor jou, neem ik aan.

Benoît: "Dat was de dag dat ik besliste afscheid te nemen van het Onze-Lieve-Vrouwcollege in Brugge en naar de kunsthumaniora te gaan. Ik was zestieneneenhalf."

Humo: Je hebt er ook een tekening over gemaakt, waar je zelf niet in voorkomt. Je tekent je ouders, die in Londen waren die dag: je vader liet zich een pak aanmeten en je moeder keek monsterend toe.

Benoît: "Het pound sterling stond enorm laag, en rond Kerstmis gingen mijn ouders een dag of drie naar Londen om er inkopen te doen. Tijdens hun afwezigheid heb ik die beslissing genomen - een beslissing waar ik eigenlijk al twee jaar over aan het nadenken was. Ik mocht het college niet verlaten, want kunstscholen waren er volgens mijn ouders alleen maar voor slechte scholieren."

Humo: Nu ja, dat was vaak het geval herinner ik me uit mijn eigen schooltijd. Kunstscholen waren ballingsoorden.

Benoît: "Vaak, maar gelukkig niet altijd. Kijk, op de middelbare school, in de Latijn-Wiskunde, heb ik me zeer ongelukkig gevoeld, en vooral angstig. Terwijl ik er nochtans geen studieproblemen had. In het lager onderwijs in de dorpsschool had ik me nochtans zeer gelukkig gevoeld, maar in het Onze-Lieve-Vrouwcollege werd ik vanaf de eerste dag overdonderd: die schaalvergroting kon ik niet aan. Ik wist niet meer wat mijn plaats in dat geheel was, en daar werd ik angstig door. Er heerste ook een vreselijke prestatiedwang, waar ik niet tegen bestand was.

Ik had toen kunnen denken: 'En nu zorg ik ervoor dat ik zo snel mogelijk gebuisd ben', maar ik deed net het omgekeerde: ik studeerde bijna overdreven vlijtig, opdat ze mij vooral met rust zouden laten. Maar als je in dat college 75% haalde, moest je de volgende keer 76% halen, je moest jezelf altijd overtreffen om mee te tellen. Op de duur had ik 83%, maar ik was er ziek van, vrij ernstig zelfs, puur psychosomatische kwalen. Mijn moeder voelde wel aan dat het zo niet verder kon met mij; ze ging met mij naar een psycholoog en naar andere mensen. Die bekeken mijn rapport en zeiden: 'Mooie cijfers. Er is niets aan de hand.' Ondertussen bleef mijn vader tegen kunstscholen gekant. De artistieke humaniora had toen ook een ondertitel: 'Voorbereidende studies tot architectuur.' Dat heb ik ten slotte enigzins aan mijn vader kunnen verkopen. Dan ging het van 'Misschien wordt hij wel ingenieur architect.

één meter zeventig

Humo: In een tekening waarin je je die tijd herinnert zie je een man, vermoedelijk jouw vader, naar een ingelijste aquarel kijken. De bijgaande tekst luidt: 'Ondanks alles was mijn vader heel trots op mijn eerste ingelijste aquarel.'


Benoît: (lacht) "Zo gaat dat, maar ik heb nooit de uiteindelijke goedkeuring van mijn vader nagestreefd. Ik heb ook nooit iets gemaakt opdat hij trots op me zou zijn.
Maar goed, die artistieke humaniora was een geweldige bevrijding voor mij, al hadden we meer lesuren dan in de gewone humaniora. De sfeer beviel me onmiddellijk, we hadden er uitstekende leraren, niet alleen voor de praktijkvakken. Lieven Tavernier voor Nederlands bijvoorbeeld."

Humo: Die onder andere de mooie liedjes 'Eerste sneeuw' en 'De fanfare van honger en dorst' heeft geschreven, bekend geworden in de versie van Jan De Wilde.

Benoît: "Onder zijn impuls ben ik literatuur beginnen te lezen. In het college haatte ik literatuur, want daar kregen we les van een pipo die de afgelopen twintig jaar nog geen drie boeken had gelezen. Lieven Tavernier wist wel wat voor vlees hij in de kuip had: hij ging ervan uit dat wij toch geen boekbespreking zouden maken, of dat we die ergens zouden van afschrijven, en daarom las hij liever voor uit Nescio, Tolstoi, uit Dostojevski. Met open mond luisterden al die zeventienjarigen. Ik ben daar echt opengebloeid.
Ik had in die tijd ook groeiproblemen: ik was abnormaal klein. Toen ik zestien was, ging ik met mijn moeder naar een specialist. Die man zei: 'Als Benoît geluk heeft, zal hij misschien één meter zeventig worden.' Geluk, ooit, misschien. Hij probeerde het zo te laten klinken dat ik niet meteen wanhopig werd. Uiteindelijk ben ik beginnen te groeien in Sint-Lucas in Gent. Ik ben toch nog één meter vijfenzeventig geworden (lachje)."

Humo: Dacht je toen al dat je kunstenaar zou worden?

Benoît: "Ik dacht vooral niet dat ik architect zou worden, en vrij snel voelde ik dat ik het van schilderkunst zou moeten hebben. In de maquettes die ik maakte, driedimensionale architectonische oefeningen, zag mijn leraar vormstudie Gilbert Decouvreur al dat ik meer een schilder dan een architect was. Op de ouderavond -Gilbert had er zijn mooiste pak voor aangetrokken - vroeg mijn vader hem: 'Kunt u Benoît niet overhalen voor architectuur te kiezen en niet voor schilderkunst?' Toen heeft Gilbert gezegd: 'Benoît is een schilder, punt uit. Hij moét schilderkunst doen.' En vanaf die dag heeft mijn vader dat aanvaard. Toen ik daarna bij Dan Van Severen schilderkunst begon te studeren, ging de wereld pas echt voor me open, en vanaf toen was mijn hele leven op schilderkunst toegespitst, op het fanatieke af. Nu ja, zo'n studie kun je niet half en half doen."

Humo: Had je ook voeling met het werk van je leermeester Dan Van Severen? Die ontkleurde geometrische abstractie? Die accetische, meditatieve schilderijen, die kloosterlijke koelte?

Benoît: "Jazeker, al belette mij dat niet van kleur te houden. En koel zou ik zijn werk zeker niet noemen, maar goed; ik heb ook altijd gevoeld dat ik figuratief zou werken, of toch nooit compleet non-figuratief. Wat Van Severen over zijn visie op kunst vertelde, kwam grotendeels met mijn visie overeen: hij had het over tijdloosheid, over antimodieus zijn, hij was tegen trends en trendvolgers in de kunst. En wat nog belangrijker is: hij had het ook over liefde voor de traditie.
Ik ben een groot bewonderaar van Buñuel: in zijn autobiografie haalt hij een gedachte van een oude Catalaanse filosoof aan 'Kunst zonder traditie is plagiaat'. Dat is voor mij een devies geworden. In het werk van veel jonge kunstenaars van nu zie ik geen enkele traditie. Daardoor lijkt hun werk ook nergens naar: er zit niets dan leegte achter. Ik geloof niet in mensen die ervan uitgaan dat ze alles zelf hebben uitgevonden. Als je werk inhoud heeft, dan komt die inhoud ergens uit voort. Je kunt pas iets vertellen in de kunst als je een heleboel kunstenaars die je zijn voorafgegaan hebt verwerkt. Je kunt ook veel meer leren uit de kunst die je is voorafgegaan, want de kunst van nu is compleet onoverzichtelijk. In de oneindige schakelketting van de kunst, ben je op de duur zelf ook misschien een schakel."

Het Land uit

Humo: Eigenlijk heb je naam gemaakt als cartoonist, al ben je altijd wel een ontypische cartoonist geweest. Ever Meulen verwonderde er zich over dat jij bijvoorbeeld cartoonesk werk in olieverf maakte, en hij heeft ook gezegd: 'Ik ben altijd pop gewwest, en Benoît altijd art'.


Benoît: "Ik heb nooit een planning gehad. Wat moet gebeuren, gebeurt. In mijn studententijd vroeg ik me al af hoe je op een zinvolle manier figuratief kunt werken. En ik heb altijd al willen vertellen, maar dan niet anekdotisch, want ik wou geen striptekenaar worden. Ik wou eigenlijk vertellen à la Breughel, universeel vertellen. Daar kwam dat cartoonachtige werk van, dat toch niet beantwoordde aan de wetten van de cartoon. Ik heb nooit op een breed publiek gemikt: drie mensen die mijn werk goed vinden, vind ik belangrijker dan massaal succes. Jean-Pierre Cliquet, de art director van Lire, zei me in '86 al: 'Als iedereen je werk goed vindt, dan ben je slecht bezig.' Hij voorspelde toen ook al dat ik veel weerstand zou ondervinden, wat inmiddels ook gebeurd is."

Humo: In 'Bravo! Bravo!', je laatste bundel, bezig je bijna geen taal meer, en ook geen kleur. Je tekeningen worden ook steeds dramalozer, er gebeurt bijna niets meer in.

Benoît: "Dat zal wel te maken hebben met mijn neiging om me steeds meer van anekdotiek te bevrijden. En tekeningen die ondersteuning van tekst nodig bleken te hebben, begonnen mij met de jaren meer te storen.
Ik zeg dit nu wel, maar eigenlijk is mijn evolutie nog het meest een onbewust proces. In je eerste werk, ontstaan toen je nog jong was, heb je eigenlijk al alles gezegd wat je te zeggen hebt, maar als een kunstenaar ouder wordt, werkt hij die kiemen verder uit. En hopelijk kun je die kiemen tot in het oneindige en tot je laatste snik uitwerken. Of anders bereik je een punt dat de beeldhouwer Brancusi ooit heeft bereikt: hij was heel oud en vond dat het wel genoeg was geweest. Hij maakte niets meer, maar nog elke dag ging hij naar zijn atelier waar hij zo nu en dan een van zijn beelden verplaatste. Hij fotografeerde zijn beelden toen ook."

Nieuwe wilden

Humo: Als je je tekeningen zo blijft uitpuren, zal je op de duur een autonoom kunstenaar zijn die niets meer met cartoons te maken heeft. Wat dan? Documenta? De Biënnale van Venetië? De zegen van de kunstpausen?

Benoît: "Het zou me plezier doen als ik op een dag van mijn werk zou kunnen leven, zonder te moéten publiceren. Ik zou wel een plaats binnen de wereld van de hedendaagse kunst willen verwerven, maar ik denk dat ik, mocht het ooit zover komen, altijd een aparte plaats zal innemen. Des te beter, misschien.
Kijk, er zijn veel jonge kunstenaars die al een plaats hebben verworven, maar wat als de kunstpaus die hen een hand boven het hoofd houdt er niet meer zal zijn? 't Is wellicht beter op eigen kracht te evolueren. Ik ken kunstenaars die tien jaar aan een stuk achter zo'n kunstpaus hebben gelopen om zijn goedkeuring te krijgen. Jan Hoet is mijn vijand niet, maar volgens mij kan hij mijn werk niet plaatsen. Ik moet nu aan iemand als Frans Masereel denken: bij zijn leven kon men die man ook niet goed plaatsen, maar nu spreken we toch nog altijd over hem, hè?
Je kunt tegenwoordig in de hedendaagse kunst heel veel succes hebben door flauwekul te verkopen. En door opportunist te zijn: als fotografie in is, meteen beginnen te fotograferen. Men maakt een onscherpe foto, of een gewild banale foto die men dan geweldig uitvergroot, en opeens is men kunstenaar. Nee, dan blijf ik liever een buitenbeentje zonder plannen. Van Dan Van Severen heb ik geleerd dat een jong kunstenaar, of hij nu schildert, video's maakt of fotografeert, eerst inzicht moet verwerven, en inzicht is nog heel wat anders dan technische beheersing. Techniek kan je leren, inzicht niet. Er zijn dan ook technisch bedreven kunstenaars die het aan inzicht ontbreekt.
Zelf heb ik ook schilderkunst gegeven in Sint-Lucas; ik probeerde de studenten antitrend te laten zijn. In de jaren tachtig barstte het in de kunstscholen van de Nieuwe Wilden, want die waren toen in de mode, en de laatste jaren zie je de vormentaal van Luc Tuymans overal opduiken, omdat die succes heeft. Hij mag voor mijn part succes hebben, maar daarom moesten mijn studenten nog geen kleine Tuymansen worden, vond ik. Het kost veel moeite om studenten ervan te overtuigen dat ze vooral zichzelf moeten zoeken én vinden in hun werk. En dat kost tijd."

Humo: Hoeveel waarachtig talent zie je in zo'n schildersklas, procentueel uitgedrukt?

Benoît: "Zo'n veertig à vijftig procent; ik heb het nu over potentieel goede kunstenaars. Toen ik afstudeerde, zei Dan Van Severen: 'Tot over tien jaar, Benoît.' Tien jaar later schiet er zo'n tien percent van die potentieel goede kunstenaars over. Enfin, ik vind het al mooi als diegenen die geen kunstenaar zijn geworden door hun opleiding misschien een andere kijk op het leven hebben gekregen. Er is niets erger dan een gefrustreerd kunstenaar. Willem Cole, die daar ook schilderkunst doceerde, en ik hebben ook wel eens getalenteerde studenten gehad, van wie we gaandeweg dachten: 'Hij is niet gemaakt om het kunstenaarschap aan te kunnen.' Getalenteerd, maar geen samenhang tussen talent, inzicht, doorzettingsvermogen. Dan moesten we zeggen: 'Het lijkt ons beter dat je ermee stopt.' Ik denk nu aan een meisje dat zich bevrijd voelde nadat we haar dat hadden gezegd: ze had zich aldoor ongelukkig gevoeld."

Mannetje met trompet

Humo: Je stuurt ook minder op lachen aan in je werk.


Benoît: "Er zijn heel veel cartoonisten die op het niveau van moppen vertellen zijn blijven steken, en die interesseren me niet, maar er zijn er ook die heel grote kunstenaars zijn: Sempé, Glenn Baxter, Kamagurka, en dat zeg ik niet omdat hij in het Stedelijk exposeert. Zijn werk overstijgt de mop.
Maar eigenlijk zoek ik niet naar humor; als ik aan een tekening begin, weet ik meestal niet wat er te voorschijn zal komen. De periodes waarin het tekenen niet lukt, zijn mettertijd talrijker geworden. En je kunt ook niet precies analyseren waarom het niet lukt. Je zit in je atelier aan je tekentafel, je trekt een lijn, en onmiddellijk voel je aan dat die lijn niet deugt. Ze inspireert je niet, ze heeft geen toekomst. Er zijn veel getalenteerde jonge kunstenaars die er opeens mee kappen. Dat komt wellicht omdat ze niet met de eenzaamheid kunnen omgaan, en met de psychologische druk van dode momenten, die eigen is aan de creatie. Je moet kunnen wachten, en je moet altijd op het juiste moment in je atelier zijn. Als je bij het geringste probleem de deur uitvlucht of de kroeg in duikt, dan ben je bij voorbaat verloren. Discipline is onontbeerlijk. Ik ken geen enkele grote kunstenaar die niet keihard heeft gewerkt. Talent moet je hebben, en inzicht, maar daarna begint het echte werk.

Soms zit ik vanaf negen uur in mijn atelier en ik bak er de godganse dag niets van, ik word er bijna gek van; om zeven uur denk ik: 'En nu ga ik weg.' En terwijl ik dat denk, trek ik een paar lijnen die opeens vanalles losmaken. De Franse tekenaar Sempé vertelde mij eens over zijn depressie in de jaren zeventig, zes maanden lang ging hij elke dag aan zijn tekentafel zitten, en er gebeurde volstrekt niets. Op een dag tekende hij bijna achteloos een mannetje dat trompet speelde, en ineens zag hij het licht aan het einde van de tunnel: uit dat ene mannetje, dat plots op papier stond, is een van zijn beste boeken voortgevloeid: Les Musiciens'.

Periodes waarin je denkt dat je aan het eind van je Latijn bent, dat het op is, zijn onvermijdelijk. Dan moet je je vastklampen aan een soort geloof dat het allemaal wel terugkomt, op een dag. En ook wel aan de gedachte dat je toch niets anders kunt dan tekenen en schilderen. Je moét offers brengen als kunstenaar, al is 'offer' in dit verband nogal paradoxaal, want ik doe niets liever dan met mijn werk bezig zijn. Gelukkig maar. Maar mijn kunst kan mij ook het meest verdrietig maken, als het slecht gaat. Het geloof in wat ik doe heeft nog altijd de overhand."

Humo: Ging het in economische zin ook weleens slecht?

Benoît: "De eerste zes jaar heb ik geen rotte frank verdiend, maar ik ben toen nooit in de verleiding gebracht om ermee te kappen. Ook al kreeg ik toen aanbiedingen om als art director in reclamebureaus te gaan werken, maar altijd weer dacht ik: 'Neen, Benoît, doe het niet. Je begint met een halftimebaan in de reclame, en voor je het weet zit je er voltijds in.' En dan word je rijk, en is het einde helemaal zoek. Voornemens om 's avonds en in het weekend te schilderen, zijn allemaal flauwekul. Je moet ergens voor kiezen, en dat betekent: op je tanden bijten. Ik heb vaak in een hoekje zitten huilen omdat ik het niet meer zag zitten, maar toch heb ik altijd aan de verleiding weerstaan. Ik kan niet zonder tekenen en schilderen: ik kan geen twee weken op vakantie gaan zónder mijn tekenmateriaal."

Humo: In je werk zijn mannen tegelijk gezaghebbend en potsierlijk, maar ze voeren het woord en zijn duidelijk de baas over vrouwen, die eigenlijk bijna karakterloze decorstukken zijn in het geheel.

Benoît: "Ik ben een man (lachje). Het is makkelijker om een man én belachelijk én sympathiek te tekenen. Wat dat betreft kun je veel meer doen met het mannelijke gezicht dan met het vrouwelijke gezicht. Een lelijk mannengezicht kan nog iets moois hebben in een tekening, maar als je een vrouwengezicht begint te vervormen, dreig je op een of andere manier zeer snel in een gruwelijke karikatuur te vervallen."

Humo: Ik kan me voorstellen dat je eerste publicatie in The New Yorker een kick was, maar doet het je nu nog wat, als je de cover van dat blad moet maken?

Benoît: "De eerste keer was natuurlijk onvergetelijk, ook omdat ik toen een brief met felicitaties van Sempé kreeg, een tekenaar wiens werk ik al als kind volgde. Maar The New Yorker is toch veranderd; ook in dat blad heeft de commercie terrein gewonnen. Hun smaak is veranderd. Zo af en toe kan ik er nog iets voor doen waarmee ik zelf ook gelukkig ben. Ik moét nog steeds publiceren, ik heb het nog steeds nodig, maar een doel op zich is het niet meer. In de pers is er steeds minder plaats voor het werk dat ik maak. En in de media over het algemeen mag je niet meer ernstig zijn, ook als je het over voetbal hebt: neem nu dat programma van Carl Huybrechts tijdens het WK, met al z'n onnozele gasten. Na een match, gewonnen of verloren, is er toch niets interessanter dan een mooie, ernstige analyse, zoals je die nog bij de BBC kunt zien? Maar neen, bij ons moeten een paar pipo's komiek beginnen te doen, of over seks beginnen te spreken."

Author: Rudy Vandaele
URL: http://www.benoit-artist.com/reviews/Rudy-Vandaele

« Previous